Paragraaf A: Lokale heffingen
Inleiding
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - InleidingDe lokale heffingen vormen een belangrijke bron van inkomsten en zijn onderdeel van de gemeentelijke beleidsvrijheid. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in heffingen waarbij de besteding van de opbrengsten vrij is (de zogenaamde belastingen) en heffingen waarbij de opbrengst gebonden is (zogenaamde heffingen, leges en retributies). Deze paragraaf geeft inzicht in het beleid van de gemeentelijke belastingen en heffingen voor 2026. Tevens wordt een raming afgegeven van de verwachte opbrengsten, gebaseerd op de in de kadernota 2026 opgenomen uitgangspunten. De vaststelling van de tarieven gebeurt niet bij de begroting maar separaat bij de vaststelling van de belastingverordeningen 2026.
Achtereenvolgens komen aan de orde:
1 tarievenbeleid
2 Hoofdlijnen per belastingsoort
2.1 Afvalstoffenheffing
2.2 Forensenbelasting
2.3 Leges
2.4 Begraafplaatsrechten
2.5 Marktgelden
2.6 Onroerende-zaakbelastingen (OZB)
2.7 Parkeerbelastingen
2.8 Precariobelasting
2.9 Rioolheffing
2.10 Toeristenbelasting
2.11 Bedrijven investeringszone (BIZ)
3 Overzichten
3.1 Opbrengstenoverzicht
3.2 Kostendekkingsoverzicht leges
4 Kwijtscheldingsbeleid
5 Lokale lastendruk
1. Tarievenbeleid
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 1. TarievenbeleidDe opbrengsten staan centraal bij de berekening van de tarieven. In de Kadernota 2026 zijn verhogingen van de tarieven opgenomen op basis van de streefwaarde van de ECB van 2%. Voor enkele belastingen wordt hiervan afgeweken en geldt het volgende:
- Naheffingsaanslagen parkeerbelasting, rijbewijzen en identiteitsbewijzen; hiervoor wordt het door het rijk vastgestelde maximum bedrag gebruikt.
- WABO vergunningen; de opbrengst is afhankelijk van de economische situatie en daarmee het aantal vergunningen. Hierdoor is geen jaarlijkse procentuele stijging opgenomen.
- Toeristenbelasting en uurtarief parkeerbelasting worden beiden verhoogd met € 0,15.
- Parkeervergunningen; hierbij wordt niet uitgegaan van een verhoging van de opbrengst maar wordt het tarief per vergunning met 2% per jaar verhoogd. Dit om te voorkomen dat bij een daling van het aantal vergunningen, de tarieven per vergunning extra verhoogd moeten worden.
- Rioolheffing en de afvalstoffenheffing. Voor deze heffingen worden de tarieven gebaseerd op de benodigde kostendekkendheid en de stand van de voorzieningen.
Onroerende Zaak Belastingen (OZB)
Voor de OZB is per 2026 een stijging nodig van 4,2% om de korting op de algemene uitkering door het Rijk te kunnen compenseren. Dit percentage is gebaseerd op de pNB (prijs Nationale Bestedingen) en is vermeld in het Centraal Economisch Plan van maart 2025 van het Centraal Planbureau. Daarnaast worden de opbrengsten verhoogd in verband met verwachte areaaluitbreiding. Deze extra opbrengst volgt niet uit een verhoging van het tarief, maar door toename van het aantal WOZ objecten door nieuwbouw.
Parkeerbelasting
In de kadernota 2026 is een verhoging van het tarief opgenomen van € 0,15. Dit resulteert in een uurtarief van € 2,45.
Afvalstoffen- en rioolheffing
Het uitgangspunt bij de riool- en afvalstoffenheffing is dat de heffingen kostendekkend zijn/worden ten aanzien van de toegerekende kosten zonder dat de voorziening negatief wordt.
Mocht er in een jaar minder uitgegeven zijn dan dat er aan heffingen binnen is gekomen dan wordt het teveel ontvangen bedrag gestort in de egalisatie voorziening afval c.q. riool. Als er meer is uitgegeven dan begroot dan wordt het tekort zoveel mogelijk uit de egalisatievoorziening onttrokken. De egalisatievoorziening mag niet negatief komen te staan.
Doorbelastingen afval
Doorbelast worden de kosten van de inzameling, afvalverwerking, belastingen, overhead en de personeelskosten. Er vindt geen doorbelasting plaats vanuit straatreiniging en schoonmaak strand.
Doorbelastingen riool
Doorbelast worden de kosten van riool inclusief omslagrente, personeel, overhead en BTW. Er vindt geen doorbelasting plaats van straatreiniging, onkruidbestrijding en beschoeiingen. In het door de raad vastgestelde Plan Water en Riolering is opgenomen dat baggeren voor 50% wordt doorbelast. Deze kosten houden meer dan zijdelings verband met de taken waarvoor de rioolheffing wordt ingesteld. Door te baggeren blijft het riool schoner en is er minder behoefte aan de reiniging van het riool.
Toeristenbelasting
In de kadernota 2026 is een verhoging van het tarief opgenomen van € 0,15. Het tarief 2026 komt daarmee uit op € 2,30.
Procentuele tarieven
De tarieven voor de belastingsoorten waarvan op dit moment onvoldoende duidelijkheid is over de areaalomvang worden in deze paragraaf niet genoemd. Dit betreffen de procentuele tarieven op basis van de WOZ-waarde omvang. Deze tarieven worden in de betreffende belastingverordeningen opgenomen en uiterlijk in december 2025 ter vaststelling voorgelegd.
Afronding
Berekende tarieven over heffingen en leges kunnen leiden tot onwerkbare tarieven van centen achter de komma. Daarom wordt neerwaartse afronding toegepast op 5 cent bij tarieven tot € 10,00, afronding op 10 cent bij tarieven van € 10,00 tot € 1.000 en afronding op hele euro’s (naar boven of beneden) vanaf € 1.000,00. Om te voorkomen dat lagere tarieven door de afronding niet tot een verhoging komen vindt indexering plaats op de niet afgeronde tarieven 2025.
2. Hoofdlijnen per belastingsoort
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2. Hoofdlijnen per belastingsoort2.1 Afvalstoffenheffing
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.1 AfvalstoffenheffingHet uitgangspunt bij de afvalstoffenheffing is een kostendekkende heffing ten aanzien van de toegerekende kosten zonder dat de voorziening negatief wordt.
Als gedurende het boekjaar sprake is van overdekking (meer werkelijke opbrengsten dan de toegerekende kosten) wordt het meerdere in de egalisatievoorziening gestort. Daarentegen wordt bij een onderdekking (meer toegerekende kosten dan werkelijke opbrengsten) het verschil aan de egalisatievoorziening onttrokken.
Op 20 mei 2021 is het beleidsplan 2022-2030 ‘Van Afval naar Grondstof’ vastgesteld. Doelstelling is het bewerkstelligen van een reductie van het restafval in 2025. Om dit resultaat te behalen is er met ingang van 2024 een tarief met een samengesteld karakter geïntroduceerd. Hierbij wordt afvalstoffenheffing in rekening gebracht op basis van een vast tarief voor een één- of meerpersoonshuishouden en een variabel tarief voor het aantal keer dat restafval wordt aangeboden. Op deze wijze wordt het goed scheiden van grondstoffen enerzijds en de dekking van de kosten anderzijds geborgd. Uit evaluatie van de resultaten is gebleken dat de financiële prikkel van de variabele heffing effectief werkt. Verder is met ingang van 2024 in Bergen het ophalen aan huis van grof huishoudelijk afval, takken en bruin- en witgoed geïntroduceerd
Belastingplichtigen en heffingsgrondslag
Belastingplichtig is de gebruiker van een perceel waar de gemeente een inzamelplicht heeft voor huishoudelijke afvalstoffen.
Er is sprake van een vaste heffing op basis van een jaartarief voor:
- éénpersoonshuishoudens
- twee- of meerpersoonshuishoudens
- tweede woningen en vakantiewoningen
Daarnaast wordt een variabel gedeelte van de afvalstoffenheffing in rekening gebracht op basis van het aantal ledigingen van de container restafval of het aantal inworpen van afvalzakken in verzamelcontainers. In de tariefstelling voor het variabele gedeelte wordt onderscheid gemaakt naar volume op de volgende wijze:
- belasting per lediging van een container bestemd voor restafval met een inhoud van 240 liter
- belasting per lediging van een container bestemd voor restafval met een inhoud van 140 liter
- belasting bij gebruik van een verzamelcontainer (bij hoogbouw) per inworp van een afvalzak in een inworptrommel van 30 liter
- belasting bij gebruik van een verzamelcontainer (bij hoogbouw) per inworp van een afvalzak in een inworptrommel van 60 liter
Omdat hoogbouwbewoners geen pmd bak ter beschikking hebben en daarom minder afval kunnen scheiden, leidt dit tot meer restafval. Bij gebruik van verzamelcontainers is daarom een 30% lager tarief op het variabele gedeelte van de heffing van toepassing.
Het variabele gedeelte van de heffing wordt opgenomen in de ‘gecombineerde aanslag’ in het jaar volgend op het jaar waarin de ledigingen of inworpen hebben plaatsgevonden.
Kerncijfers
In de berekening van de opbrengst in relatie tot de kostendekkendheid wordt uitgegaan van de aantallen:
- percelen in gebruik bij één persoon;
- percelen in gebruik bij meer dan één persoon;
- tweede woningen en vakantiewoningen;
- ledigingen containers restafval van 140 liter;
- ledigingen containers restafval van 240 liter;
- inworpen afvalzakken van 30 liter in verzamelcontainers;
- inworpen afvalzakken van 60 liter in verzamelcontainers.
Bij de berekening van de afvalstoffenheffing is uitgegaan van een gemiddelde van 8 ledigingen van een container per jaar. De verhouding tussen het vaste deel en het variabele van de aanslag komt daarmee gemiddeld uit op 87% vaste heffing en 13% variabele heffing. Alle tarieven van het variabele deel van de heffing (containerledigingen en inworpen van afvalzakken) zijn afgeleid van het tarief voor de lediging van een 240 liter container.
Tarieven
Om de geraamde opbrengsten te realiseren zijn de tarieven als volgt berekend:
Vaste heffing bedragen x € |
2025 |
2026 |
||
Eénpersoonshuishouden |
242,00 |
232,00 |
||
Meerpersoonshuishouden |
322,00 |
309,00 |
||
Tweede woning/vakantiewoning |
322,00 |
309,00 |
||
Variabele heffing bedragen x € |
2025 |
2026 |
||
Per lediging container 140 liter |
3,75 |
3,60 |
||
Per lediging container 240 liter |
6,44 |
6,18 |
||
Per inworp trommel 30 liter |
0,57 |
0,55 |
||
Per inworp trommel 60 liter |
1,14 |
1,10 |
Opbrengsten
Op basis van de uitgangspunten zoals genoemd bij de kerncijfers, worden de opbrengsten als volgt geraamd:
Bedragen x € 1.000 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Afvalstoffenheffing vast |
4.299 |
4.426 |
4.562 |
4.699 |
||
Afvalstoffenheffing variabel |
687 |
709 |
731 |
754 |
||
Afvalstoffenheffing totaal |
4.986 |
5.135 |
5.293 |
5.453 |
Kostendekkendheid afvalstoffenheffing |
Begroting |
||
Bedragen x € 1 |
2026 |
||
Kosten taakveld afval, incl. (omslag)rente |
3.929.000 |
||
Inkomsten, excl. heffingen |
525.000 |
||
Netto kosten |
3.404.000 |
||
Toe te rekenen kosten: |
|||
BTW |
435.000 |
||
toegerekende overhead |
1.138.000 |
||
Dubieuze debiteuren 1% |
50.000 |
||
A Totale kosten |
5.027.000 |
||
Opbrengst heffingen |
4.299.000 |
||
Opbrengst variable heffing |
687.000 |
||
Kwijtschelding |
148.000 |
||
B Totale opbrengsten |
4.838.000 |
||
B-A opbrengsten minus kosten |
-189.000 |
||
Onttrekking voorziening |
189.000 |
||
Dekkingspercentage (B/A) |
96% |
||
2.2 Forensenbelasting
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.2 ForensenbelastingBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
De forensenbelasting wordt geheven van personen die niet in Bergen wonen, maar wel in Bergen gedurende meer dan 90 dagen een gemeubileerde woning beschikbaar houden voor zichzelf of hun gezin.
De heffingsgrondslag voor de forensenbelasting is een percentage van de WOZ-waarde, gelijk aan het principe zoals wordt toegepast bij de berekening van de OZB. De hoogte van de belasting is hiermee afhankelijk van de WOZ-waarde van de woning. De forensenbelasting wordt geheven na afloop van het belastingjaar omdat pas dan kan worden bepaald of er sprake is van een belastingplicht.
Kerncijfers, waardeontwikkeling en areaal
Forensenbelasting is van toepassing op alle (tweede) woningen die voldoen aan de criteria zoals bepaald in de verordening forensenbelasting. Het areaal bestaat voor 2026 uit de verwachte totale WOZ-waarde op de WOZ waardepeildatum van 1-1-2025 van alle, in de forensenbelasting betrokken woningen.
Tarief
Voor belastingjaar 2025 geldt in Bergen een tarief van 0,3% van de WOZ-waarde. In de kadernota 2026 is voorzien in een stijging van de opbrengst forensenbelasting van 2%.
Opbrengsten
Rekening houdend met een stijging van 2% worden de opbrengsten bij een gelijkblijvend areaal als volgt geraamd:
Bedragen x € 1 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Forensenbelasting |
2.302.000 |
2.348.000 |
2.395.000 |
2.443.000 |
2.3 Leges
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.3 LegesBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
Leges kunnen worden geheven voor van gemeentewege verleende diensten. De diverse diensten waarvoor leges zijn verschuldigd zijn opgenomen in de tarieventabel behorende bij de legesverordening.
Kostendekkendheid en transparantie
De opbrengsten betreffen de verwachte inkomsten in 2026, zoals opgenomen in het financieel systeem. De kosten bestaan uit verschillende componenten:
- de directe kosten die aan het product zijn te relateren (bijvoorbeeld afdracht aan Rijk voor een geleverd paspoort);
- de directe apparaatskosten (de salarislasten van het personeel dat direct aan het product werkt);
- de toegerekende overhead.
In de kadernota 2026 is voorzien in een minimale stijging van de opbrengst van 2%. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de uitgangspunt dat de opbrengsten niet hoger mogen zijn dan de kosten. Door de berekende kosten af te zetten tegen de begrote opbrengsten, kan de kostendekkendheid worden bepaald.
Zie voor verdere uitwerking hiervan het overzicht ‘Kostendekkendheid leges’ onder 3.2.
2.4 Begraafplaatsrechten
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.4 BegraafplaatsrechtenBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
De grafrechten worden geheven voor onder meer het begraven van personen en voor het onderhoud van de begraafplaatsen. De tarieven voor de afzonderlijke belastbare feiten zijn opgenomen in de tarieventabel behorende bij de verordening lijkbezorgingrechten.
Kerncijfers en areaal
De kerncijfers voor de begraafplaatsrechten bestaan hoofdzakelijk uit het aantal meerjarige rechten op graven en urnenplaatsen, het aantal begravingen en bijzettingen per jaar en het aantal onderhoudsrechten op graven en dergelijke. De beheerskosten van de begraafplaatsen zijn hoger dan de inkomsten. Er is geen sprake van volledige kostendekking. Dit is in overeenstemming met het beleidsplan begraafplaatsen.
Tarieven
De diverse tarieven zijn opgenomen in de tarieventabel behorend bij de Verordening op de heffing en invordering van lijkbezorgingsrechten.
Opbrengsten
Rekening houdend met het uitgangspunt van 2% stijging van de opbrengsten voor 2026 tot en met 2029 worden de opbrengsten als volgt geraamd:
Bedragen x € 1 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Begraafplaatsrechten |
478.000 |
488.000 |
498.000 |
508.000 |
Kostendekkendheid begraafplaatsrechten |
Begroting |
|
Bedragen x € 1 |
2026 |
|
Kosten, incl. (omslag)rente |
429.000 |
|
Inkomsten, excl. Heffingen |
0 |
|
Netto kosten |
429.000 |
|
Toe te rekenen kosten |
||
Overhead incl. (omslag)rente |
251.000 |
|
Overige toe te rekenen kosten |
0 |
|
A Totale kosten |
680.000 |
|
Opbrengsten heffingen |
478.000 |
|
B Totale opbrengsten |
478.000 |
|
Dekkingspercentage B/A |
70% |
2.5 Marktgelden
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.5 MarktgeldenBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
Voor het innemen van een standplaats op de markten in Egmond en Bergen wordt marktgeld geheven. De berekening van de hoogte van het marktgeld vindt plaats naar het aantal meters van de frontbreedte van de kraam.
Kerncijfers en areaal
Het heffingsareaal wordt bepaald door het aantal strekkende meters aan kramen dat op de markt wordt geplaatst. Normaliter is er voor de markt in Egmond maximaal 97 meter beschikbaar. Voor de markt in Bergen is er maximaal 169 meter beschikbaar.
Opbrengsten
Bij een gelijkblijvend areaal en 2% stijging van de opbrengsten per begrotingsjaar zien de opbrengsten er als volgt uit:
Bedragen x € 1 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Marktgeld |
13.100 |
13.400 |
13.600 |
13.600 |
Zoals uit het volgende overzicht blijkt zijn de kosten van de markten hoger dan de inkomsten. Er is geen sprake van volledige kostendekking. Gelet op de huidige situatie van het marktwezen wordt het niet mogelijk geacht de mate van kostendekkendheid te verhogen.
Kostendekkendheid marktgelden |
Begroting |
|
Bedragen x € 1 |
2026 |
|
Kosten, incl. (omslag)rente |
41.000 |
|
Inkomsten, excl. Heffingen |
2.000 |
|
Netto kosten |
39.000 |
|
Toe te rekenen kosten |
||
Overhead incl. (omslag)rente |
30.000 |
|
Overige toe te rekenen kosten |
0 |
|
A Totale kosten |
69.000 |
|
Opbrengsten heffingen |
13.000 |
|
B Totale opbrengsten |
13.000 |
|
Dekkingspercentage B/A |
19% |
2.6 Onroerende-zaakbelastingen (OZB)
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.6 Onroerende-zaakbelastingen (OZB)De onroerende-zaakbelastingen betreffen een tweetal belastingen, te weten:
- een onroerende zaakbelasting voor eigenaren van woningen;
- een onroerende zaakbelasting voor eigenaren van niet- woningen.
Belastingplichtigen en heffingsgrondslag
De onroerende zaakbelastingen voor het eigendom van woningen en niet-woningen worden geheven van degene die op 1 januari van het belastingjaar in het Kadaster bekend staat als de zakelijk gerechtigde (eigenaar) van de onroerende zaak. De hoogte van de aanslag is afhankelijk van de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak. De belasting wordt geheven als percentage van deze waarde. De waarde van de onroerende zaken wordt vastgesteld onder het regime van de Wet WOZ. Vanaf 2022 wordt de WOZ-waarde van woningen berekend naar de oppervlakte in plaats van de inhoud. Deze gewijzigde berekeningsmethodiek sluit daarmee beter aan bij de publicaties op diverse woningaanbod-websites waar de grootte van woningen al langer in vierkante meters wordt uitgedrukt. Tevens wordt hiermee een hogere acceptatiegraad van de WOZ-waarde beoogd.
Kerncijfers, waardeontwikkeling en areaal
De kerncijfers voor de bepaling van de te verwachten opbrengst van de onroerende zaakbelastingen betreffen de totaalwaarde van de woningen en de totaalwaarde van de niet-woningen op 1 januari van het jaar, voorafgaand aan het belastingjaar. Daarbij wordt rekening gehouden met de omvang van de vrijgestelde WOZ-waarde waarover geen OZB kan worden geheven.
De heffing van OZB van gebruikers van niet-woningen is per 2020 opgeheven onder gelijktijdige evenredige verhoging van het tarief voor eigenaren van niet-woningen. Hierdoor zijn 2 kerncijfers niet meer van invloed op de tariefstelling. Dit is het percentage leegstand en de omvang van de vrijstelling op woondelen bij niet-woningen. Voor de OZB-eigenaren opbrengst zijn beide factoren niet relevant.
Uitgangspunt is dat de OZB opbrengsten worden verhoogd met de in de kadernota opgenomen procentuele indexatie. Daarin is aangegeven dat voor de OZB een indexering nodig is op basis van de pNB (prijs Nationale Bestedingen) over het vorige jaar om budgetneutraal te blijven ten aanzien van de korting op de algemene uitkering door het Rijk. Deze pNB (2024 = 4,2%) is medio februari 2025 gepubliceerd in het Centraal Economisch Plan (CEP) van het CPB (Centraal Planbureau). Daarnaast worden de opbrengsten verhoogd in verband met verwachte areaaluitbreiding. Dit wordt niet gerealiseerd door een verhoging van het tarief, maar door toename van het aantal WOZ objecten door nieuwbouw.
Tarieven
De hoogte van de aanslag OZB 2026 is afhankelijk van de beschikte WOZ-waarde. Deze waarde, vermenigvuldigd met een percentage daarvan (het tarief) vormt het aanslagbedrag OZB. De belasting wordt geheven in de vorm van een eigenarenbelasting.
Opbrengsten
Rekening houdend met de genoemde mutaties worden de begrote opbrengsten voor 2026 tot en met 2029 als volgt geraamd:
Bedragen x € 1 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
OZB bedrijven |
3.958.000 |
4.038.000 |
4.121.000 |
4.204.000 |
||
OZB woningen |
9.602.000 |
9.794.000 |
9.990.000 |
10.190.000 |
||
Totaal OZB |
13.560.000 |
13.832.000 |
14.111.000 |
14.394.000 |
2.7 Parkeerbelastingen
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.7 ParkeerbelastingenOnder parkeerbelastingen worden de volgende categorieën onderscheiden:
1. Parkeergelden
Voor het parkeren van voertuigen op bepaalde dagen en tijden, op daartoe aangewezen openbare parkeerplaatsen, is parkeergeld verschuldigd. Het doel van de belasting is het reguleren van parkeergedrag en verkeersstromen.
2. Naheffingsaanslagen (parkeerboetes)
Als er geen of onvoldoende parkeergeld is betaald worden naheffingsaanslagen opgelegd. Hiervoor wordt ten hoogste het door het rijk gemaximeerde tarief gehanteerd. Op de opbrengsten vindt geen indexatie plaats, naar aanleiding van de laatste jaarrekening wordt een nieuwe opbrengstinschatting gemaakt.
3. Rechten parkeervergunningen
Voor bepaalde gebieden binnen onze gemeente kan tegen een vergoeding een parkeervergunning worden aangevraagd.
Uitgangspunt is 2% stijging van het tarief en niet de opbrengsten. Hierdoor is het tarief niet afhankelijk van opbrengst en leidt een lager aantal afgegeven vergunningen niet tot extra prijsstijging.
Kerncijfers en areaal
Op basis van gerealiseerde opbrengsten wordt het hieraan gerelateerde gemiddelde aantal parkeeruren geactualiseerd.
Tarieven parkeerbelasting
De tarieven voor kort parkeren worden conform de kadernota 2026 met € 0,15 verhoogd tot € 2,45 per uur. Voor naheffingsaanslagen geldt dat de opbrengsten niet hoger mogen zijn dan de kosten. Verwacht wordt dat de inzet van de scanauto tot een toename leidt van het aantal naheffingsaanslagen. Hiermee is bij de berekening van de hoogte van het tarief rekening gehouden.
Opbrengsten
Uitgaande van het bovenstaande worden de begrote opbrengsten voor 2026 tot en met 2029 als volgt geraamd:
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2028 |
||
Parkeerbelasting (parkeergeld) |
5.317.000 |
5.910.000 |
6.258.000 |
6.605.000 |
||
Naheffingsaanslagen |
934.000 |
913.000 |
916.000 |
918.000 |
||
Parkeervergunningen |
719.000 |
733.000 |
749.000 |
765.000 |
2.8 Precariobelasting
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.8 PrecariobelastingBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
Precariobelasting wordt geheven van degenen die voorwerpen hebben die zich op, onder of boven openbare gemeentegrond bevinden. De precariobelasting bestaat uit structurele belastbare feiten (bijvoorbeeld terrassen en uithangborden) en incidentele belastbare feiten (bijvoorbeeld een tijdelijke bouwcontainer).
De aanslagen voor de structurele belastbare feiten worden na afloop van het belastingjaar opgelegd. Dit aangezien pas na afloop van het belastingjaar de omvang van de belastingplicht bekend is.
Kerncijfers en areaal
Door periodieke plaatselijke controles wordt de actualiteit van de gegevens voor de precariobelasting op peil gehouden. Daarnaast leiden vergunningaanvragen tot inzicht in belastbare feiten.
Opbrengsten
Rekening houdend met 2% stijging van de opbrengsten voor 2026 tot en met 2029 worden de begrote opbrengsten als volgt geraamd:
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Precario structureel |
111.700 |
114.000 |
116.300 |
119.000 |
||
Precario incidenteel |
49.500 |
50.400 |
51.400 |
52.400 |
||
Precario totaal |
161.200 |
164.400 |
167.700 |
171.400 |
2.9 Rioolheffing
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.9 RioolheffingBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
De rioolheffing wordt geheven van de gebruiker van een object van waaruit direct of indirect water wordt afgevoerd op de gemeentelijke riolering.
De heffingsgrondslag voor de rioolheffing heeft een relatie met de hoeveelheid water dat vanuit het object wordt afgevoerd. Er is sprake van een gedifferentieerd tarievenstelsel dat opgebouwd is uit eenheden waarbij 300 m3 waterverbruik als uitgangspunt is gebruikt voor het basistarief. Veruit de meeste woningen vallen onder de eerste eenheid: het basistarief.
Als gedurende het boekjaar sprake is van overdekking (meer werkelijke opbrengsten dan toegerekende kosten) wordt het meerdere in de egalisatievoorziening gestort. Daarentegen wordt bij een onderdekking (meer toegerekende kosten dan werkelijke opbrengsten) het verschil aan de egalisatievoorziening onttrokken.
Kerncijfers (kosten en opbrengsten)
Kerncijfers voor de bepaling van de inkomsten uit rioolheffing zijn:
- het aantal percelen waarvoor het basistarief geldt (0 tot en met 300 m3 waterafvoer);
- het aantal percelen met meer dan 300 m3 waterafvoer waarvoor grootverbruiktarieven gelden op basis van de in de tarieventabel opgenomen tariefstaffels;
- het aantal percelen waarvan water indirect wordt afgevoerd op de gemeentelijke riolering.
In de berekening van de opbrengst wordt uitgegaan van basiseenheden. In dit aantal zijn de grootverbruiktarieven teruggerekend naar het tarief van de basiseenheid. In dit aantal wordt de komende jaren geen groei verwacht.
Kerncijfers voor de bepaling van de kosten van riool zijn:
- De directe kosten voor riool inclusief fte en overhead
- BTW, omdat sinds de invoering van het BTW compensatiefonds het niet doorrekenen van BTW leidt tot een extra nadeel in de vorm van een korting op de algemene uitkering.
- Voor de berekening van de rioolheffing wordt de omslagrente toegerekend.
- In het in juni 2023 aangenomen Programma Water en riolering is opgenomen dat baggeren voor 50% wordt doorbelast. Deze kosten houden meer dan zijdelings verband met de taken waarvoor de rioolheffing wordt ingesteld. Door te baggeren blijft het riool schoner en is er minder behoefte aan de reiniging van het riool.
- Er vindt geen doorbelasting plaats van straatreiniging, onkruidbestrijding en beschoeiingen.
Tarieven
Door de keuze van een spaarvoorziening voor duurzame financiering dient het in het PWR opgenomen tarief met toepassing van jaarlijkse indexatie gevolgd te worden. Voor 2026 betekent dit dat het tarief, wordt aangepast met de “Inflatie, nationale consumentenprijsindex” en een stijging ten behoeve van de spaarvoorziening. Dit resulteert in een stijging van het basistarief van € 219,00 in 2025 tot een basistarief van € 234,00 in 2026.
Opbrengsten
Rekening houdend met een gelijkblijvend areaal worden de opbrengsten voor 2026 tot en met 2029 als volgt geraamd:
Bedragen x € 1.000 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Rioolheffing |
4.519 |
4.867 |
5.021 |
5.099 |
2026
Kostendekkendheid rioolheffing |
Begroting |
||
Bedragen x € 1 |
2026 |
||
Kosten taakveld riolering, incl. (omslag)rente |
3.297.441 |
||
Inkomsten, excl. heffingen |
-20.000 |
||
Baggeren |
145.000 |
||
Storting spaarvoorziening |
47.000 |
||
Netto kosten taakveld |
3.469.441 |
||
Toe te rekenen kosten: |
|||
BTW |
461.887 |
||
Overhead |
426.600 |
||
extra rente n.v.t. |
|||
Totale kosten |
4.357.928 |
||
Opbrengst heffingen |
4.519.000 |
||
Kwijtschelding |
-116.000 |
||
oninbaarheid dubieuze debiteuren |
-45.000 |
||
Totale opbrengsten |
4.358.000 |
||
Verschil |
72 |
||
Mutatie voorziening |
72 |
||
Dekkingspercentage |
100% |
||
2.10 Toeristenbelasting
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.10 ToeristenbelastingBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
De toeristenbelasting wordt geheven voor het tegen betaling overnachten in de gemeente door personen die geen inwoner van Bergen zijn. De belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot nachtverblijf biedt. Deze kan de belasting verhalen op de verblijfhoudende personen. De aanslagoplegging voor de toeristenbelasting vindt plaats na afloop van het belastingjaar op basis van de ingediende aangiften.
Kerncijfers en areaal
Bij de uitvoering van de toeristenbelasting wordt doorlopend gecontroleerd op de juistheid en volledigheid van de gevoerde verblijfsadministraties door de aanbieders van verblijf. Sinds een aantal jaren is het aanbieden van verblijf via internet aanzienlijk toegenomen. Via diverse methodes wordt intensief ingezet op opsporing van verborgen verblijfbieders en wordt ingezet op het vergroten van de (digitale) aanmeld- en aangiftemogelijkheden.
Bij de berekening van de opbrengsten in de programmabegroting is uitgegaan van het gemiddelde aantal overnachtingen van de 3 voorgaande belastingjaren 2022-2024.
Tarief
Voor de toeristenbelastingbelasting is voorzien in een structurele stijging van € 0,05 per jaar. In het kader van de ombuigingen is voor 2026 een extra stijging van het tarief voorgesteld met € 0,25. Het tarief toeristenbelasting stijgt hierdoor van € 2,30 naar € 2,60 per persoon per overnachting. Voor 2027 is in de kadernota voorzien in een tariefstijging van € 0,10, voor zowel 2028 als ook 2029 een stijging van € 0,15 en vanaf 2030 een jaarlijkse stijging van € 0,10.
Naast de berekening op basis van het exacte aantal overnachtende personen kent de toeristenbelasting ook een berekeningswijze voor vaste jaarplaatsen en seizoenplaatsen. Hiermee vindt tarifering plaats op basis van het gemiddelde aantal gasten en verblijfsduur waarbij het jaarlijks vastgestelde tarief van toepassing is. Deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een efficiënte uitvoering van de heffing en vermindering van de administratieve lastendruk.
Opbrengsten
Rekening houdend met de hierboven aangegeven ontwikkeling van het tarief worden de begrote opbrengsten voor 2026 tot en met 2029 als volgt geraamd.
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Toeristenbelasting |
4.196.000 |
4.358.000 |
4.681.000 |
5.003.000 |
2.11 Bedrijven investeringszone (BIZ)
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.11 Bedrijven investeringszone (BIZ)In Bergen is sprake van 3 bedrijveninvesteringszones. De gemeente faciliteert de BIZ-organisatie door de BIZ-bijdragen te innen op basis van een vastgestelde verordening. De duur van een BIZ is maximaal 5 jaar en kan telkens met maximaal 5 jaar worden verlengd. De opbrengsten worden, na aftrek van de perceptiekosten, in de vorm van een subsidie uitgekeerd aan de BIZ verenigingen die hiermee namens de ondernemers de activiteiten uitvoeren. De ondernemers bepalen zelf de activiteiten. De gemeenteraad moet wel instemmen en toetsen op het algemeen belang in de openbare ruimte.
Hieronder is per BIZ de looptijd aangegeven:
- BIZ Duindorp Schoorl: van 1-1-2023 tot en met 31-12-2027.
- BIZ Bergen centrum: van 1-1-2024 tot en met 31-12-2028.
- BIZ Egmond aan Zee: van 1-1-2021 tot en met 31-12-2025.
De huidige BIZ Egmond aan Zee dient te worden vervangen. Na een positieve uitkomst van een draagvlakmeting wordt een nieuwe verordening voorgelegd voor de BIZ Egmond aan Zee voor de periode 2026-2030.
3. Overzichten
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 3. Overzichten3.1 Opbrengstenoverzicht
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 3.1 OpbrengstenoverzichtIn de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de geraamde opbrengsten 2026 en verder, afgerond op duizendtallen.
PO |
Grootboek |
Omschrijving |
Begroot
2026 |
Begroot
2027 |
Begroot
2028 |
Begroot
2029 |
|---|---|---|---|---|---|---|
1a |
6020010 |
Rijbewijzen |
184.000 |
206.000 |
199.000 |
204.000 |
1a |
6020020 |
Burgerlijke stand |
76.000 |
77.000 |
79.000 |
80.000 |
1a |
6020030 |
Reisdocumenten |
442.000 |
481.000 |
416.000 |
151.000 |
1a |
6020050 |
Diverse leges |
25.000 |
25.000 |
25.000 |
26.000 |
1a |
6020070 |
Naturalisaties |
27.000 |
27.000 |
27.000 |
27.000 |
1a |
6020080 |
Verklaring Omtrent Gedrag VOG |
14.000 |
4.000 |
4.000 |
4.000 |
1b |
6660400 |
Gehandicapten parkeerkaarten |
7.000 |
8.000 |
8.000 |
8.000 |
1d |
6120060 |
Leges APV titel 3 |
19.000 |
19.000 |
20.000 |
20.000 |
2a |
6570400 |
Evenementen, volksfeesten, kermis |
18.000 |
18.000 |
18.000 |
18.000 |
2b |
6330100 |
Inkomsten Markten |
13.000 |
13.000 |
14.000 |
14.000 |
2b |
6330000 |
BIZ heffingen |
42.000 |
42.000 |
42.000 |
42.000 |
3a |
6810100 |
Bestemmingsplannen |
11.000 |
11.000 |
12.000 |
12.000 |
3a |
6830500 |
Leges omgevingsvergunningen |
1.501.000 |
1.345.000 |
1.372.000 |
139.000 |
3b |
6720100 |
Baten Rioolheffing |
4.519.000 |
4.867.000 |
5.021.000 |
5.099.000 |
3b |
6730100 |
Baten Afvalstoffenheffing |
4.986.000 |
5.135.000 |
5.293.000 |
5.453.000 |
3c |
6750100 |
Baten begraafplaatsrechten |
478.000 |
488.000 |
498.000 |
508.000 |
4a |
6061100 |
Baten OZB woningen |
9.602.000 |
9.794.000 |
9.990.000 |
10.190.000 |
4a |
6062100 |
Baten OZB bedrijven |
3.958.000 |
4.038.000 |
4.121.000 |
4.204.000 |
4a |
6063100 |
Opbrengsten parkeergelden |
5.317.000 |
5.910.000 |
6.258.000 |
6.605.000 |
4a |
6063100 |
Opbrengsten naheffingsaanslagen |
934.000 |
913.000 |
916.000 |
918.000 |
4a |
6063100 |
Opbrengsten parkeervergunningen |
719.000 |
733.000 |
749.000 |
765.000 |
4a |
6064200 |
Baten precariobelasting |
161.000 |
164.000 |
168.000 |
171.000 |
4a |
6340100 |
Forensenbelasting |
2.302.000 |
2.348.000 |
2.395.000 |
2.443.000 |
4a |
6340200 |
Toeristenbelasting |
4.196.000 |
4.358.000 |
4.681.000 |
5.003.000 |
39.551.000 |
41.024.000 |
42.326.000 |
42.104.000 |
|||
3.2 Kostendekkendheid leges
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 3.2 Kostendekkendheid legesDe legestarieventabel is verdeeld in 3 hoofdstukken. De afzonderlijke hoofdstukken zijn onderverdeeld in verschillende paragrafen.
Hoofdstuk 1 betreft leges voor algemene dienstverlening, zoals aanvragen voor rijbewijzen, reisdocumenten en uittreksels. Hoofdstuk 2 betreft leges voor dienstverlening in het kader van de Omgevingswet. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, erfgoed, milieu, natuur en water. Hoofdstuk 3 betreft dienstverlening vallend onder de Europese dienstenrichtlijn. Dit betreffen leges voor de behandeling van aanvragen van vergunningen ten behoeve van dienstverrichters of dienstverleners.
De leges mogen “overall” op het niveau van de gehele verordening maximaal 100% kostendekkend zijn. Dit betekent dat (met uitzondering van hoofdstuk 3) een onderdekking op het ene hoofdstuk gecompenseerd mag worden met een overdekking op een ander hoofdstuk. In Bergen is van deze zogenaamde kruissubsidiëring geen sprake. De volgende tabel geeft de kostendekkendheid van de leges in Bergen weer:
Onderwerp legesverordening |
Directe kosten |
Loonkosten |
Overhead |
Opbrengst |
Kostendekkendheid |
|---|---|---|---|---|---|
Hoofdstuk 1 - Algemene dienstverlening |
|||||
Paragraaf 1.1 - Burgerlijke stand |
2.410 |
78.039 |
62.508 |
75.819 |
53,04% |
Paragraaf 1.2 - Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart |
240.027 |
148.061 |
118.603 |
441.616 |
87,16% |
Paragraaf 1.3 - Rijbewijzen |
57.873 |
80.555 |
64.543 |
183.803 |
90,56% |
Paragraaf 1.4 - Verstrekkingen in het kader van de basisregistratie persoonsgegevens |
211 |
8.185 |
6.558 |
15.351 |
102,66% |
Paragraaf 1.5 - Bestuursstukken |
|||||
Paragraaf 1.6 - Vastgoedinformatie |
|||||
Paragraaf 1.7 - Overige publiekszaken |
3.112 |
5.614 |
4.499 |
13.932 |
105,34% |
Paragraaf 1.8 - Gemeentearchief |
|||||
Paragraaf 1.9 - Bijzondere wetten |
25.500 |
106.413 |
81.412 |
226.442 |
106,15% |
Paragraaf 1.10 - Diversen |
9.456 |
6.497 |
9.121 |
57,17% |
|
Totaal hoofdstuk 1 |
329.134 |
436.323 |
344.620 |
966.084 |
87,03% |
Hoofdstuk 2 - Omgevingswet |
|||||
Paragraaf 2.1 - Algemene bepalingen |
|||||
Paragraaf 2.2 - Voorfase |
84.190 |
52.326 |
54.956 |
40,26% |
|
Paragraaf 2.3 - Activiteiten met betrekking tot bouwwerken |
129.198 |
380.134 |
236.264 |
1.063.908 |
142,69% |
Paragraaf 2.4 - Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed |
|||||
Paragraaf 2.5 - Milieubelastende activiteiten |
|||||
Paragraaf 2.6 - Lozingsactiviteiten |
|||||
Paragraaf 2.7 - Aanlegactiviteiten |
33.602 |
20.884 |
13.008 |
23,87% |
|
Paragraaf 2.8 - Overige activiteiten |
49.612 |
30.835 |
11.154 |
13,87% |
|
Paragraaf 2.9 - Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten |
|||||
Paragraaf 2.10 - Gelijkwaardigheid |
|||||
Paragraaf 2.11 - Overige tarieven |
451 |
280 |
206 |
28,18% |
|
Paragraaf 2.12 - Modaliteiten |
463.745 |
262.205 |
415.114 |
57,18% |
|
Paragraaf 2.13 - Vermindering |
10.148 |
6.307 |
-45.721 |
-277,85% |
|
Paragraaf 2.14 - Teruggaaf |
977 |
607 |
|||
Totaal hoofdstuk 2 |
129.198 |
1.022.859 |
609.708 |
1.512.625 |
85,86% |
Hoofdstuk 3 - Europese dienstenrichtlijn |
|||||
Paragraaf 3.1 - Horeca |
9.189 |
6.307 |
15.288 |
98,66% |
|
Paragraaf 3.2 - Seksbedrijven |
|||||
Paragraaf 3.3 - Winkeltijdenwet |
|||||
Paragraaf 3.4 - Organiseren evenement of markt |
13.359 |
9.168 |
17.322 |
76,89% |
|
Paragraaf 3.5 - Standplaatsen |
1.907 |
1.309 |
2.286 |
71,15% |
|
Paragraaf 3.6 - Huisvestingswet 2014 |
|||||
Paragraaf 3.7 - In dit hoofdstuk niet benoemd besluit |
|||||
Totaal hoofdstuk 3 |
24.455 |
16.784 |
34.896 |
84,63% |
|
Totaal |
458.332 |
1.483.637 |
971.112 |
2.513.605 |
86,29% |
Recapitulatie Hoofdstuk 1, 2 en 3 |
Directe kosten |
Loonkosten |
Overhead |
Opbrengst |
Kostendekkendheid |
Kostendekking Hoofdstuk 1 |
329.134 |
436.323 |
344.620 |
966.084 |
87,03% |
Kostendekking Hoofdstuk 2 |
129.198 |
1.022.859 |
609.708 |
1.512.625 |
85,86% |
Kostendekking Hoofdstuk 3 |
24.455 |
16.784 |
34.896 |
84,63% |
|
Kostendekking totale tarieventabel |
458.332 |
1.483.637 |
971.112 |
2.513.605 |
86,29% |
4. Kwijtscheldingsbeleid
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 4. KwijtscheldingsbeleidVoor de afvalstoffen- en rioolheffing bestaat de mogelijkheid om op basis van het “Besluit kwijtschelding gemeentelijke belastingen Bergen 2026” een kwijtscheldingsverzoek in te dienen. In Bergen wordt bij de kwijtschelding afgeweken van de normen zoals deze zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Hierin zijn in artikel 16, tweede lid, onderdelen a en b, de kosten van bestaan gesteld op 90% van de bijstandsnorm. Bergen gaat echter uit van de meest ruime, de zogenaamde 100% norm. Dit houdt in, dat kwijtschelding wordt verleend aan belastingschuldigen die een inkomen hebben dat op of onder 100 procent van de landelijk geldende bijstandsnorm ligt. De kwijtschelding wordt meegenomen in de berekening van de kostendekkendheid van de afvalstoffen- en rioolheffing.
Kwijtschelding wordt zoveel mogelijk automatisch verleend. Dit gebeurt middels een automatische koppeling met landelijke inkomens- en vermogensgegevens door het Inlichtingenbureau met belastingplichtigen die hiervoor toestemming hebben gegeven.
Kerncijfers
Naast de toegekende gehele kwijtschelding bestaat er een grote variatie in gedeeltelijk toegekende verzoeken waarbij een percentage van de aanslag wordt kwijtgescholden. Om deze reden wordt niet uitgegaan van het totale aantal toekenningen maar van de bedragen kwijtschelding riool- en afvalstoffenheffing uit de laatste jaarrekening. Voor de komende jaren verwachten we geen grote veranderingen.
Rekening houdend met een gelijkblijvend aantal toekenningen worden de uitgaven voor 2026 tot en met 2029 als volgt geraamd:
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Kwijtschelding riool |
84.000 |
84.000 |
84.000 |
84.000 |
||
Kwijtschelding afval |
136.000 |
136.000 |
136.000 |
136.000 |
5. Lokale lastendruk
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 5. Lokale lastendrukDe lokale woonlasten worden bepaald door de afvalstoffenheffing, de OZB en de rioolheffing. De hoogte van deze belasting en heffingen tezamen, wordt geduid met het begrip “lokale lastendruk” De lokale lastendruk wordt bijgehouden door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) In dit artikel zijn de meest recente gegevens gebruikt, afkomstig uit de door het COELO gepubliceerde atlas van de lokale lasten 2025.
De lokale lastendruk in Bergen bedraagt gemiddeld voor een:
- één-persoonshuishouden met een eigen woning € 1.135, in 2024 was dat € 1.086 en in 2023 was dat € 1.030.
- meerpersoonshuishouden met een eigen woning € 1.236, in 2024 was dat € 1.187 en in 2023 was dat € 1.122.
- één-persoonshuishouden met een huurwoning € 483, in 2024 was dat € 460 en in 2023 was dat € 463.
- meerpersoonshuishouden met een huurwoning € 584, in 2024 was dat € 561 en in 2023 was dat € 555.
Woonlasten 2025 en rangnummers landelijk
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - Woonlasten 2025 en rangnummers landelijkDe gemeentelijke woonlasten voor huishoudens met een koopwoning en een huurwoning zijn door het COELO in beeld gebracht en in een landelijke ranglijst opgenomen. De gemeente op nummer 1 van de ranglijst heeft de laagste woonlasten, de gemeente op nummer 346 de hoogste.
Bergen bezet in de landelijke ranglijst van gemeentelijke woonlasten 2025 de volgende plaatsen:
- meerpersoonshuishouden met een eigen woning plaats 311,
in 2024 was dat plaats 309 en in 2023 was dat plaats 319.
- meerpersoonshuishouden met een huurwoning plaats 261,
in 2024 was dat ook plaats 261 en in 2023 was dat plaats 289.
Wat de plaatsen op de landelijke ranglijst worden in 2026, hangt naast de hoogte van de tarieven in Bergen, mede af van de ontwikkelingen elders in Nederland.
Benchmark woonlasten Noord-Holland 2025
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - Benchmark woonlasten Noord-Holland 2025De benchmark beoogt door middel van vergelijking van de tarieven en de gemeentelijke woonlasten op provinciaal niveau, de informatievoorziening over de ontwikkeling van de lokale lasten te bevorderen. De benchmark vergelijkt binnen een provincie de hoogte van de gemeentelijke woonlasten voor meerpersoonshuishoudens met een koopwoning. De woonlasten zijn de som van de gemiddeld betaalde ozb, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing minus een eventuele heffingskorting.
In de ‘benchmark woonlasten Noord-Holland 2025’ zijn 44 gemeenten betrokken. De gemeente op plaats 1 kent met € 846 de laagste gemiddelde woonlasten en de gemeente op plaats 44 de hoogste met € 2.117. De gemiddelde woonlasten in Noord-Holland bedragen € 1.086, het landelijke gemiddelde bedraagt € 1.053.
In de provinciale benchmark 2025 neemt Bergen met gemiddelde woonlasten van € 1.236 voor een meerpersoonshuishouden de 36ste plaats in. In 2024 was dat met een lokale lastendruk van € 1.187 ook plaats 36. In de benchmark 2025 hieronder, is de positie van Bergen met een pijl aangegeven.

Ontwikkeling woonlasten Bergen
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - Ontwikkeling woonlasten BergenIn het overzicht hieronder is de ontwikkeling van 2023 tot en met 2025 weergegeven van de belasting en de heffingen in Bergen waarop de lokale lastendruk is gebaseerd. Tevens is daarbij per jaar de positie op de landelijke ranglijst vermeld voor de gemiddelde lokale lastendruk van een meerpersoonshuishouden met een koopwoning. Daarnaast zijn ter vergelijking voor 2025 ook de gemiddelde landelijke tarieven vermeld.
Ontwikkeling tarieven |
2023 |
2024 |
2025 |
NL gemiddeld 2025 |
||
OZB-woningen tarief |
0,08750% |
0,08940% |
0,09040% |
0,09240% |
||
OZB-woningen gemiddeld |
€ 567 |
€ 626 |
€ 652 |
€ 454 |
||
Afval (meerpersoonshuishouden) |
€ 370 |
€ 360 |
€ 365 |
€ 364 |
||
Riool (huishouden) |
€ 185 |
€ 201 |
€ 219 |
€ 235 |
||
Woonlasten (meerpersoonshuishouden) |
€ 1.122 |
€ 1.187 |
€ 1.236 |
€ 1.053 |
||
Plaats ranglijst (landelijk) |
319 |
309 |
311 |
195 |
In de tabel hieronder zijn de belasting en de heffingen weergegeven waarop de lokale lastendruk is gebaseerd in de BUCH verband. De afvalstoffenheffing is samengesteld uit een vast en variabel deel waarbij de hoogte van de variabele heffing is gebaseerd op het door het CBS gepubliceerde gemiddelde gemeentelijke afvalaanbod.
Gemeente |
OZB (gemiddeld) |
Afvalstoffen- heffing 1 persoons huishouden |
Afvalstoffen- heffing meerpersoons huishouden |
Rioolheffing |
||
Bergen |
€ 652 |
€ 264 |
€ 365 |
€ 219 |
||
Uitgeest |
€ 633 |
€ 230 |
€ 354 |
€ 217 |
||
Castricum |
€ 409 |
€ 236 |
€ 333 |
€ 224 |
||
Heiloo |
€ 566 |
€ 219 |
€ 355 |
€ 222 |
||
Landelijk (gemiddeld) |
€ 454 |
€ 279 |
€ 364 |
€ 235 |